WESTERKWARTIER – De gemeente Westerkwartier vroeg jeugddichter Tom Withaar naar zijn idee over vrijheid en of hij hier een gedicht over wilde schrijven.

“De vraag kwam in de zomervakantie, dus ik had alle tijd om over het thema na te denken tijdens lange autoritten van Zuidhorn naar Wales. Ik kwam toen tot de conclusie dat ik vrijheid al mijn hele leven voel. Toen ik zeven was, vond ik het al heel wat om alleen naar het einde van de straat te gaan, laat staan naar het Johan Smitpark om de hoek. In de eerste klas werd mijn vrijheid in één klap veel groter: van mijn dorp naar Stad.

Dat je vrijheid steeds groter wordt naarmate je opgroeit, heb ik geprobeerd te beschrijven in de gedichtenreeks Kilometers. Deze is onderverdeeld in vier gedichten: I. Buik, II. Huis, III. Dorp en IV. Stad. Hieronder kun je mijn gedichtenreeks lezen.”

I. Buik
Onderontwikkelde ogen laten mij alle kleuren zien
Van het donkerste zwart tot het lichtste grijs

Hele kleine handjes klampen zich vast aan de nacht

In het vocht ben ik gewichtsloos
Ik stijg op tot ik me omdraai
Of de andere kant op wil

Neusvleugels vouwen zich open
Ik ruik de geuren die ik ken

Onderontwikkelde ogen laten rode schijnsels zien
Want licht schijnt door de wand
IJzergeurige kleuren
Als een schildering op een muur in de oertijd

Kleine voetjes zetten zich af
Ik stijg weer ietsje hoger

En ontdek weer nieuwe paden

II. Huis
Schilderij van Étretat

Wind slijpt de kliffen
Golven spoelen weg bij eb
In schilderstroken

Marokkaanse lamp

Ik ruik kardemom
Bloemen zweven in vormen
Verscholen in glas

Bomenkandelaar

Sierlijke takken
Draaien om de boomstam heen
Kaarsen omarmend

Door de voorwerpen
Kan ik gaan waar ik heen wil
Door de voorwerpen
Lopen mijn voetafdrukken
Over de hele wereld heen

III. Dorp
De straat bolt lichtjes omhoog
Als doorweekt papier
Dat is, zeggen ze, zodat de regen makkelijker weg kan lopen
Maar ze snappen denk ik niet dat de regen niet kan lopen
Omdat die geen pootjes heeft
De bolling voelt voor de wieltjes van mijn fiets als de Himalaya
In mijn eentje verover ik zo het hooggebergte

Ik balanceer over de boomwortels
En jaag met mijn angstaanjagende blikken de Schotse hooglanders weg
Tak voor tak klim ik de hoogte in
Ik ben nu zo hoog dat takken onder mijn voeten zouden breken
Dus kruip ik dicht tegen de stam aan
Ik zie mensen op de asfaltpaden lopend door mijn oerwoud
Maar ik ben onzichtbaar want niemand kijkt omhoog

IV. Stad
Het fietspad is een rechte lijn
Die doorgaat tot ver voorbij de eindigheid
Dus als ik doorfiets, kom ik vanzelf in Parijs

De witte strepen op de grond worden hoe verder hoe dunner
Tot ze oplossen in beton

Hoe dichterbij je kijkt hoe sneller de wereld lijkt te vervliegen
Dus ik ga zo snel als een trein
Als ik naar de grond kijk

Ik vorm een ritme met mijn omgeving
De strepen en de hectometerpaaltjes verglijden binnen een vast aantal seconden
Mijn trappers malen steeds binnen de zelfde tijd
Mijn adem gaat constant door
Tijd verschuift altijd lineair

In de verte doemt de stad op uit de horizon
De luchtlijn doorbreekt het laagste zonlicht
De stad wordt groter als ik dichterbij kom
En groeit langzaam om mij heen