Landelijk – Vrachtwagens op de Nederlandse snelwegen gaan naar verwachting in de loop van 2026 een heffing per kilometer betalen. Op die manier betalen vrachtwagens uit binnenland en buitenland voor het gebruik van de weg. Met de opbrengst van de heffing wordt geïnvesteerd in verduurzaming en innovatie in de vervoerssector.

Dat staat in het wetsvoorstel voor een vrachtwagenheffing dat minister Barbara Visser (Infrastructuur en Waterstaat) vandaag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Ze geeft daarmee gevolg aan een verzoek van de Tweede Kamer om het wetsvoorstel ondanks de demissionaire status van het kabinet, in te dienen.

Per gereden kilometer betalen
Het wetsvoorstel regelt dat vrachtwagens een heffing per gereden kilometer betalen op de snelwegen en een aantal lokale en regionale wegen. De heffing op lokale en regionale wegen is bedoeld om uitwijkend vrachtverkeer tegen te gaan. De heffing kan ongeveer 4 jaar na aanname van het wetsvoorstel door het parlement worden ingevoerd, waarbij het gemiddelde tarief per kilometer ongeveer 15 cent zal bedragen. De Nederlandse vrachtwagenheffing sluit aan bij de systemen van vrachtwagenheffing in Duitsland en België.

Met de invoering van een vrachtwagenheffing verdwijnt in Nederland de belasting zware motorvoertuigen (het Eurovignet) en wordt de motorrijtuigenbelasting voor vrachtwagens tot ongeveer het Europese minimum verlaagd. De netto-opbrengst van de heffing gaat naar verduurzaming en innovatie van de transportsector. Deze maatregelen richten zich op elektrisch aangedreven vrachtwagens, het gebruik van hernieuwbare brandstoffen, vermindering van het aantal vervoerskilometers.

Afspraken met transportorganisaties
Minister Visser heeft hierover afspraken gemaakt met de transportorganisaties evofenedex, Transport & Logistiek Nederland en de stichting VERN. De netto-opbrengst van de heffing zal op het moment van invoering naar verwachting ongeveer 250 miljoen euro per jaar bedragen.

De eenmalige invoeringskosten van de vrachtwagenheffing lijken significant hoger uit te komen op ongeveer 400 miljoen euro. Dit wordt onder andere veroorzaakt doordat een aanpak wordt gekozen waarbij een groter deel van de kosten al wordt gemaakt in de realisatiefase, en enkele andere kostenposten flink hoger lijken uit te pakken. Het ministerie laat extern onderzoek uitvoeren om de kostentoename te verifiëren en te bekijken of de gekozen wijze van uitvoering nog aansluit op het uitgangspunt dat de systeemkosten laag moeten blijven, zodat zoveel mogelijk financiële middelen beschikbaar blijven voor de terugsluis. De vervoerssector zal hier bij betrokken worden.